‘Blijkbaar gunt niet iedereen de artiest een leven’?

Markant en bedenkelijk toch, de furie waarin sommigen ontsteken bij de aankondiging door de federale regering van de eerste maatregelen op de weg naar een verbeterde sociaal-economische positie van de kunstenaar in dit land. Zo liet een lid van de oppositie en een aantal ‘specialisten’ zich in een artikel in De Standaard van eergisteren in uiterst negatieve zin uit over het kunstwerkattest, dat slechts één element vormt van de voorgenomen hervormingen.


De tegenstand wijst op de zogezegd gepriviligieerde behandeling die kunstenaars met dat attest zouden gaan genieten op het vlak van werkloosheid. Met name N-VA-kamerlid Björn Anseeuw ontbindt al zijn duivels – ook in De Morgen van gisteren – tegen dat vermeende gunstregime. Volgens Sonja Teughels van Voka en professor arbeidseconomie Stijn Baert biedt het artiesten dan weer een hangmat: ze kunnen alternatieve werkaanbiedingen afslaan en worden niet aangespoord om voorstellingen te maken, al zeker geen voorstellingen waarvoor een groot publiek zou bestaan.


En zo belanden we weer ijzig dicht bij de gekende mantra’s van ‘subsidieslurperij’ en ‘elitarisme’. Het zijn alleszins uitspraken die duidelijk maken dat aan deze critici geen grote kenners van (de werking van) de cultuur- en entertainmentsector verloren zijn gegaan. Maar ook als het op hun eigen vakgebied aankomt, lijken ze de blik (bewust?) te vernauwen. In onze rijke sociaal- en arbeidsrechtelijke geschiedenis kennen we immers sinds jaar en dag specifieke regels en aparte statuten (of alternatieve berekeningswijzen van sociale rechten) voor bijzondere beroepsgroepen als thuiswerkers, seizoensarbeiders, parlementariërs (jawel), mijnwerkers, zeevarenden, vliegend personeel van de burgerluchtvaart, professionele sportbeoefenaars, handelsvertegenwoordigers enzovoort. Waarom zou dat dan niet mogen of kunnen voor artiesten?


Voor al de genoemde sectoren werden in het verleden aanpassingen aan de algemene regels doorgevoerd. Die werden noodzakelijk geacht omwille van de specifieke werkomstandigheden en bijzondere vormen van precariteit die in die sectoren werden vastgesteld. Dat is ook de ratio van de maatregelen die de ministerraad gisteren goedkeurde, binnen een nauw afgelijnde begrotingsenveloppe overigens. De stemmen vanuit de sector die door de bevoegde minister(s) werden gehoord, drongen er daarenboven zelf op aan om niet langer uit te gaan van de artiest als potentieel werkloze, maar de wegen naar tewerkstelling te verbreden. Daarnaast vonden nog veel meer nuttige voorstellen hun weg naar de politiek. Ze allemaal in detail toelichten, zou hier te ver voeren, maar het geeft in elk geval geen pas één element af te branden zonder het brede plaatje te willen zien.


Ten slotte etaleren de critici in hun reacties helemaal hun gebrek aan voeling met het kunstenveld wanneer ze oproepen tot betere en vaste contracten voor artiesten. Langlopende contracten zijn vandaag de dag in de sector amper nog aan de orde, noch in het gesubsidieerde segment van de cultuurwereld, noch in het niet-gesubsidieerde. Dat is een fenomeen dat artiesten niet kan worden aangewreven – het is het gevolg van landelijke en internationale evoluties in het amusementsbedrijf, en ook cultuurpolitiek is er blijkbaar geen kruid tegen gewassen. Hoe zou trouwens een acteur, een beeldend kunstenaar, een muzikant of een (muziek)auteur een overeenkomst in vaste loondienst kunnen eisen van zijn (film)producent, galerist, uitgever of platenfirma, als zij of hij sowieso al niet in een positie staat om op gelijkwaardige basis een contract te onderhandelen? Geen snellere manier om in de werkloosheid te belanden …


Voor De Muziekgilde,

Laura Groeseneken - voorzitter

Esther Lybeert - woordvoerder

Luc Gulinck - bestuurder